In het Afrikaanse ontwikkelingsland Kenia bevindt zich een groot aantal nationale parken. Deze parken zijn bedoeld om de Afrikaanse diersoorten een veilige haven te bieden en tevens voor het nageslacht te bewaren. Echter, tussen goede bedoelingen en de realiteit bestaat nogal eens een verschil...
Door meerdere oorzaken is de veiligheid van de dieren vaak in het gedrang:
Een veel gemaakte fout in de wereld van de bescherming van wilde dieren is dat de focus geheel ligt op het dier. Daarbij wordt dan de problematiek die wordt veroorzaakt door en voor de mensen totaal uit het oog verloren.
In juli 1998 is bijna de helft van Tsavo-Oost –Kenia's grootste nationale park– door een bosbrand verwoest. Miljoenen dieren, zoals: leeuwen, cheetahs, gazellen, schildpadden, vogels en insecten zijn in deze helse vuurhaard omgekomen. Deze enorme verwoesting is waarschijnlijk aangericht door een achteloze bezoeker die een nog brandende sigarettenpeuk of een lege glazen fles van zich af heeft geworpen.
Mensen vestigen zich nu eenmaal graag in de buurt van water, omdat dit voor hen van essentieel belang is om te kunnen overleven. Vaak vergeten zij dat dieren ook water nodig hebben. Door nederzettingen rondom een bron te bouwen worden bijvoorbeeld olifanten die al generaties lang bij die bron kwamen, buitengesloten.
Tevens breiden alle dorpen en nederzettingen continu uit; niet voor niets is Kenia één van de landen met de snelst groeiende bevolking. Daardoor komen mensen met hun veestapel ook in de territoria van troepen leeuwen te wonen. Dus is het vanzelfsprekend dat die leeuwen ook wel eens een gemakkelijke prooi zoeken, zoals een schaap of geit die vrijelijk rondloopt.
Nog altijd wordt er in Afrika veel gestroopt, zelfs in de nationale parken in Kenia. Recentelijk werden er door KWS (Kenya Wildlife Service) in Tsavo-Oost gelukkig een paar stropers opgepakt, die verantwoordelijk waren voor het wrede afslachten van 10 olifanten en enkele neushoorns.
Op de foto hiernaast is de schedel te zien van een olifant die het slachtoffer is geworden van stropers die het hadden voorzien op zijn ivoren slagtanden.
In grote delen van Afrika bereiden de mensen hun eten op vuurtjes van houtskool, omdat velen van hen niet voldoende geld verdienen om een andere vorm van brandstof kunnen kopen. Daarom worden veel bomen gekapt, waarna het hout in kleine stukken wordt gehakt. Van deze stukken wordt vervolgens houtskool gemaakt door middel van een proces, genaamd "charcoaling".
Mede door de illegale houtsprokkel en de toch al geringe regenval eroderen grote delen van de voormalig dichtbeboste Afrikaanse vlakten. Als gevolg van deze erosie drogen rivierbeddingen die eens onder een beschermend bladerdak lagen, geheel op. Dieren zoals olifanten en giraffen kunnen hierdoor geen water meer vinden en wenden zich tot bewoonde gebieden met alle gevolgen van dien.
De wrattenzwijnen op de foto hiernaast drinken nog het laatste overgebleven vocht van een waterplasje, dat eens een groot meer was.
Bescherming van het dier begint bij de lokale bevolking. Want als zij niet meewerken is vrijwel iedere kans op een langdurige en succesvolle bescherming op voorhand tot nul gereduceerd.
Bij ons project in Kenia worden alle aspecten van de bescherming op lange termijn belicht en staat de betrokkenheid van de lokale bevolking op de eerste plaats. Kortom, het is een project dat uniek mag worden genoemd in de wereld.







Bezoek ons ook op:
voor nieuws-updates vanuit de bush!